Leerlingen en onderwijs
Ontwikkeling leerlingaantallen
In schooljaar 2024-2025 zaten er bijna 930.000 leerlingen in het voortgezet onderwijs. Het aantal leerlingen schommelt elk jaar. Deze schommeling is niet gelijk verdeeld over de onderwijssoorten en leerjaren.
Het aantal leerlingen in leerjaar één en twee is in de afgelopen vier jaar met ruim 16.000 leerlingen toegenomen. Deze groei is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de instroom van nieuwkomersleerlingen. In de leerjaren drie en hoger daalde het totaal aantal leerlingen met ruim 20.000 leerlingen, maar tussen onderwijsrichtingen zijn er verschillen. Op de havo en het vwo nam het aantal leerlingen vanaf leerjaar drie af. Ook het aantal leerlingen in de bovenbouw van vmbo basis en kader daalde licht (bijna 700 leerlingen). Bij bovenbouw vmbo gt en gemengd leerjaar 3 van havo/vwo steeg het aantal leerlingen met respectievelijk 1.300 en 1.400 leerlingen ten opzichte van vijf jaar geleden.
De groei van het aantal leerlingen in leerjaar één is vooral te zien in een stijging van het aantal leerlingen op vmbo-brede en volledig brede brugklassen en het aantal leerlingen in vwo-brugklassen. Het aantal leerlingen dat in leerjaar één op vmbo basis of vmbo basis/kader start, is juist afgenomen. De gemengde brugklas vmbo kader/gt bestaat sinds twee jaar. Inmiddels gaat 1% van de leerlingen in het eerste leerjaar hiernaartoe.
De laatste jaren is er een verschuiving te zien van categorale (één onderwijsrichting) naar heterogene (meerdere onderwijsrichtingen) brugklassen: er is bijvoorbeeld een afname van het aantal leerlingen op vmbo kader en een toename op het naastliggende vmbo kader/gt, etc. Het aandeel leerlingen in de eerstejaars brugklassen met meer dan één onderwijssoort neemt al jaren toe: bijna 60% van de leerlingen zit in een heterogene brugklas. N.B. met avo breed bedoelen we gt, havo, vwo.
Verhouding schooladviezen en definitieve adviezen
Steeds meer leerlingen krijgen een meervoudig advies voor het voortgezet onderwijs, zoals vmbo basis/kader of havo/vwo. Dit type advies houdt er rekening mee dat op twaalfjarige leeftijd vaak nog niet duidelijk is welke onderwijsrichting het beste bij een leerling past. Van de leerlingen die in het schooljaar 2024-2025 in het vo startten, kreeg ruim vier op de tien een meervoudig advies. Dat is een duidelijke stijging ten opzichte van eerdere jaren.
De stijging komt deels door de (in principe) verplichte bijstelling in het po: uit de doorstroomtoets komt altijd een meervoudig advies (m.u.v. vwo) en bij een hogere score op de doorstroomtoets dan het voorlopige schooladvies, wordt het schooladvies in principe bijgesteld. Daarnaast stijgt ook het aantal meervoudige schooladviezen, wat er op kan wijzen dat leerlingen vaker een ‘kansrijk’ (want: breder) advies in het po krijgen.
Instroom in het praktijkonderwijs (PrO)
Het totaal aantal leerlingen dat instroomt in het praktijkonderwijs is gestegen. Deze stijging komt voort uit het aandeel leerlingen dat instroomt vanuit het vo. Dit zijn vooral leerlingen uit het eerste en tweede leerjaar van vmbo basis. Het aantal leerlingen dat vanuit het primair onderwijs instroomt in het PrO is juist gedaald.
Ook het aandeel nieuwkomersleerlingen (die korter dan twee jaar in Nederland zijn) dat instroomt in het praktijkonderwijs is de afgelopen twee schooljaren toegenomen. Tot schooljaar 2021-2022 betrof circa 2,3% van de PrO-instroom nieuwkomers, in schooljaar 2024-2025 was dit 3,7%.
Anticiperen op schommelende leerlingaantallen
Door demografische ontwikkelingen zal het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs de komende tien jaar waarschijnlijk afnemen. Tegelijkertijd zijn er regionale en lokale verschillen. Sommige gebieden hebben te maken met krimp, terwijl in andere regio’s leerlingenaantallen stabiel blijven of juist groeien. Dat komt door bijvoorbeeld een nieuwbouwwijk of instroom van leerlingen uit andere wijken. Ook factoren zoals immigratie en emigratie en economische ontwikkelingen zorgen voor onzekerheid in de prognoses.
Deze ontwikkelingen vragen om flexibiliteit van schoolbesturen, vooral in de langetermijnplanning voor huisvesting en personeel. Het scenariomodel van VOION ondersteunt regio’s bij het inschatten van ontwikkelingen in leerlingenaantallen. In het hoofdstuk Bedrijfsvoering lees je meer over huisvesting en in het hoofdstuk Personeel over de ontwikkelingen op de onderwijsarbeidsmarkt.
Schoolloopbanen
Na de eerste twee jaar in het vo zitten de meeste leerlingen op de onderwijsrichting waarin ze examen gaan doen. Dan wordt er ook gekeken in welke onderwijsrichting leerlingen zitten ten opzichte van het schooladvies waarmee ze het vo binnenkwamen.
Bijna driekwart van de leerlingen met een enkelvoudig schooladvies volgt in het derde leerjaar onderwijs in de onderwijsrichting van advies (72%); een op de zeven (14%) zit boven en een op de zeven (14%) zit onder advies. Van de leerlingen met een meervoudig advies zit negen op de tien in het derde leerjaar op het laagste (45%) of op het hoogste (46%) van het meervoudige advies. Een klein deel van de leerlingen met een meervoudig advies zit in het derde leerjaar boven (3%) of onder (6%) het advies.
Leerlingen met adviezen voor vmbo basis/kader of vmbo kader/gt zitten in leerjaar drie vaker op het hoogste advies dan leerlingen met vmbo gt/havo-advies.
De VO-raad komt in 2026 met de eerste analyses van de effecten van de doorstroomtoets op het vo.
Meer leerlingen die een jaar overdoen bij vmbo, minder bij havo en vwo
In de zomer van 2023 lag het aandeel doublures voor alle onderwijssoorten hoger dan in het laatste jaar voor corona. Voor leerjaar één en twee en voor alle vmborichtingen is het aantal doublures van het jaar erna (iets) gestegen ten opzichte van 2023. Het aandeel doublures op de havo en het vwo is juist gedaald. Op de havo ligt dit aandeel nog steeds duidelijk boven het aandeel in de laatste jaren voor corona, op het vwo ligt het aandeel doublures weer op het niveau van voor corona.
De stijging van het aandeel doublures in het vmbo kan samenhangen met de nasleep van corona, maar de effecten daarvan zijn niet eenduidig. Sommige leerlingen liepen leervertragingen op, wat leidde tot een hoger aantal doublures. Maar er waren ook leerlingen die juist profiteerden van extra begeleiding en aangepaste lesprogramma’s door de NPO-gelden. Het is waarschijnlijk dat beide effecten naast elkaar bestaan en dat de impact verschilt per leerling.
Meer leerlingen ronden vakken op hoger niveau af
In het voortgezet onderwijs kunnen leerlingen één of meerdere vakken afronden op een hoger niveau. In vier jaar tijd is het aandeel vmbo- en havoleerlingen dat examen deed in een vak op hoger niveau gestegen van 2,0% naar 2,6%. Vooral leerlingen op vmbo basis ronden vaker vakken af op hoger niveau. In 2025 betrof dit 9,4% van de leerlingen. Een mogelijke verklaring dat dit vaker voorkomt op vmbo basis en kader dan op vmbo gt of havo, is dat de opleidingsduur in het vmbo voor alle leerwegen gelijk is, wat het overstappen vergemakkelijkt. Vmbo gt-leerlingen die havo-vakken willen volgen en havoleerlingen die vwo-vakken willen volgen, moeten het niveauverschil plus het verschil van één jaar in opleidingsduur overbruggen. Maar ook bij deze onderwijssoorten is een lichte stijging zichtbaar.
Slagingspercentages
In 2023 lagen de slagingspercentages duidelijk lager dan in de coronajaren en ook lager dan voor corona. In 2024 was er sprake van enig herstel bij alle onderwijssoorten. Op het vmbo blijven de slagingspercentages in 2025 ongeveer gelijk aan 2024, maar bij havo en vwo dalen deze weer. De daling van het slagingspercentage dit jaar lijkt grotendeels verklaard te kunnen worden doordat in 2025 de prestatie-eis hoger was ten opzichte van de kandidaten die in 2024 centraal examen deden.
Uit een peiling onder docenten en uit statistisch onderzoek in najaar 2024 heeft het College voor Toetsen en Examens (CvTE) geconcludeerd dat bij een beperkt aantal vakken in de coronajaren (2021, 2022 en 2023) de prestatie-eis enigszins is gaan schuiven. Vanwege de impact van de coronapandemie was de normering van de centrale examens (CE) in die jaren aangepast. Door het gebrek aan continuïteit in de normering waren de resultaten van 2024 niet volledig vergelijkbaar met die van 2019 en gaf de verschuiving geen goed beeld van de toename of afname van de vaardigheid van kandidaten.
Zorgen over welbevinden jongeren
Het welbevinden van jongeren daalt, blijkt uit de cijfers van de Monitor Sociale Veiligheid. In 2021-2022 gingen leerlingen voor het eerst sinds corona weer volledig naar school. In alle onderwijsrichtingen gold in dat jaar dat de gemiddelde score voor welbevinden boven de 7 lag. Dit is de afgelopen jaren licht gedaald; de gemiddelde scores per onderwijsrichting liggen nu tussen de 6,7 en de 7,6. De scores per onderwijsrichting kunnen niet met elkaar vergeleken worden: doordat het aantal leerjaren per onderwijsrichting verschilt en leerlingen in leerjaar 1 én in het examenjaar gemiddeld hogere scores geven dan de leerlingen in andere leerjaren.
Tot het eind van het schooljaar 2024–2025 kunnen scholen nog gebruik maken van de middelen uit het Nationaal Programma Onderwijs. Deze middelen kunnen worden ingezet voor onder meer het verbeteren van het welzijn van leerlingen.
N.B. deze passage en grafieken komen uit de Sectorrapportage van vorig jaar. In de loop van het schooljaar wordt de informatie geactualiseerd.
Ervaren sociale en fysieke veiligheid
Naast een afname in welbevinden onder leerlingen, daalt ook de ervaren sociale en fysieke veiligheid. Leerlingen beoordeelden in 2023-2024 hun sociale en fysieke veiligheid met een 6,7, terwijl dit in 2021-2022 nog een 7,0 was. Ook hier geldt dat de scores wat hoger liggen bij de onderbouwleerlingen (brj en vmbo) dan in de richtingen met (ook) bovenbouwleerlingen.
Nieuwkomersleerlingen
Nieuwkomersleerlingen zijn leerlingen die nog maar kort in Nederland zijn en de Nederlandse taal mogelijk nog niet spreken. Dit zijn bijvoorbeeld kinderen van arbeidsmigranten, expats, asielzoekers of statushouders. In het voortgezet onderwijs komen nieuwkomersleerlingen eerst in een Internationale Schakelklas (ISK), waar zij (taal)ondersteuning krijgen om te kunnen instromen in het reguliere onderwijs. Voor deze leerlingen is twee jaar aanvullende bekostiging beschikbaar. Daarna stromen zij meestal door naar het voortgezet onderwijs of het middelbaar beroepsonderwijs (MBO).
Tussen 2021 en 2024 is het aantal bekostigde nieuwkomersleerlingen in het vo gegroeid van ruim 8.300 naar een piek van bijna 25.000 in januari 2024. Dit komt voor een groot deel door de oorlog in Oekraïne. In 2024 daalde het aantal nieuwkomers in tien maanden tijd naar circa 19,5 duizend. Sindsdien is het aantal stabiel. Reguliere vo-scholen hebben nu, bijna twee jaar later, te maken met een flink hogere instroom van leerlingen vanuit de ISK’s. Deze leerlingen hebben doorgaans nog wel extra taalondersteuning nodig, maar de scholen ontvangen hier geen extra bekostiging voor.
N.B.: bovenstaande cijfers zijn de voorlopige aantallen leerlingen met nieuwkomersbekostiging vo.
Het betreft hier cijfers voor leerlingen die korter dan twee jaar in Nederland zijn, een niet-Nederlandse nationaliteit hebben en waarvoor (aanvullende) bekostiging kan worden verkregen. Op ISK’s zitten ook leerlingen die langer dan twee jaar in Nederland zijn, of leerlingen die wel de Nederlandse nationaliteit hebben, maar de Nederlandse taal nog niet voldoende machtig zijn. Het werkelijke aantal leerlingen ligt daarom hoger dan het aantal nieuwkomers waarvoor bekostiging wordt ontvangen.
Per 1 januari 2026 wordt de bekostiging aangepast: de inschrijfdatum op school wordt dan leidend, in plaats van de datum van binnenkomst in Nederland. Hierdoor sluit de bekostiging beter aan bij de periode dat een leerling ook echt naar school gaat. Doordat met name nieuwkomersleerlingen in de noodopvang regelmatig verhuizen en het even duurt voordat zij op een andere school terecht kunnen, zou het nog beter zijn als de bekostiging meeloopt met de daadwerkelijk benutte onderwijstijd.
Bedrijfsvoering
Scholen en schoolbesturen