Themarapportage vmbo

Meer dan de helft van de scholieren in het derde leerjaar van het vo volgt een vmbo-opleiding. Toch is het vmbo lang niet altijd zichtbaar in het publieke debat, en wordt het soms nog onterecht geassocieerd met beperkte kansen of lage verwachtingen.

Het vmbo biedt innovatief en praktijkgericht onderwijs dat doorlopend inspeelt op maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. Het programma is flexibel en biedt met de verschillende profielen een betekenisvolle leeromgeving voor leerlingen. Toch blijft het vmbo in het publieke debat vaak onderbelicht en wordt het soms nog onterecht geassocieerd met beperkte kansen. Met een nieuwe themarapportage zet de VO-raad de feiten op een rij en schetsen wij een genuanceerd en realistisch beeld van het vmbo.

Schoolgebouw gevuld met leerlingen

Het vmbo heeft verschillende leerwegen: 

Basisberoepsgerichte leerweg (vmbo basis)
Leerlingen volgen zowel a
lgemeen vormende (avo-)vakken als beroepsgerichte vakken, waarbij de nadruk ligt op de praktijk. Ongeveer de helft van de week (circa 12 uur) is beroepsgericht onderwijs. Leerlingen krijgen veel persoonlijke begeleiding en leren in kleinere klassen. Met een vmbo basis diploma kunnen zij instromen in mbo-2.
 

Kaderberoepsgerichte leerweg (vmbo kader)
Leerlingen krijgen zowel algemeen vormende (avo-)vakken als beroepsgerichte vakken. Ongeveer de helft van de schoolweek (circa 12 uur) bestaat uit praktijkgericht onderwijs. Met een vmbo kader diploma kunnen leerlingen doorstromen naar mbo-3 of mbo-4. 

Theoretische leerweg (vmbo tl) en Gemengde leerweg (vmbo gl)
Leerlingen krijgen vooral algemeen vormende (avo-)vakken, die voor gl en tl leerlingen hetzelfde zijn. Gl-leerlingen volgen één avo-vak minder dan tl-leerlingen en krijgen in plaats daarvan vier uur beroepsgericht onderwijs. Met een vmbo gl of tl diploma kunnen leerlingen doorstromen naar mbo-4. Leerlingen met vmbo tl (of gl, met een extra avo-vak) kunnen ook naar de havo. 

In deze rapportage noemen we de gemengde en theoretische leerweg vaak samen (vmbo gt), omdat de examens in de avo-vakken dezelfde zijn en de leerrichtingen daarmee vergelijkbaar. Alleen waar de cijfers van beide leerwegen duidelijk verschillen, worden ze apart getoond. 

Waardevol vmbo 

In vrijwel elke sector werken voormalig vmbo-leerlingen. Of het nu gaat om zorg, techniek, bouw, logistiek of dienstverlening — het zijn vaak leerlingen van het vmbo die later deze onmisbare beroepen vervullen. Beroepen waar we nú en in de toekomst hard mensen voor nodig hebben. 

In dit hoofdstuk laten we zien hoe waardevol het vmbo is. We geven een beeld van hoeveel jongeren voor het vmbo kiezen, welke profielen zij volgen en hoe succesvol zij zijn. Want vmbo-leerlingen hebben niet alleen hoge slagingspercentages, ze stromen daarnaast na het mbo makkelijk door naar een baan. 

Het vmbo is de grootste vo-onderwijsrichting 

Meer dan de helft (52%) van de leerlingen in het derde leerjaar zit op het vmbo. De rest van de leerlingen is gelijk verdeeld over havo en vwo. Het grootste gedeelte van de vmbo-leerlingen volgt vmbo gt.

In de grafiek staat de verdeling van het aantal leerlingen in het derde leerjaar. Dit geeft het beste weer hoeveel leerlingen voor welke onderwijsrichting kiezen, omdat het eerste en tweede leerjaar vaak nog gemengd zijn. Daarnaast hebben havo en vwo vijf of zes leerjaren, waardoor het totaal aantal bovenbouwleerlingen niet vergelijkbaar is met het (vierjarige) vmbo.

Zorg en welzijn en Dienstverlening en producten het meest gekozen 

De meeste leerlingen op vmbo basis, kader en gl volgen het profiel Dienstverlening en producten (met name gl), gevolgd door Zorg en welzijn en Groen (met name basis en kader). Tl leerlingen volgen het vaakst Economie.

Leerlingen kiezen niet altijd bewust voor een profiel: soms wonen ze simpelweg in de buurt van een school die alleen Zorg en welzijn aanbiedt, of wordt gekozen voor een kleine school en niet voor een specifiek profiel.

 

Hoge slagingspercentages op het vmbo

Het vmbo heeft de hoogste slagingspercentages van alle onderwijsrichtingen. Maar liefst 98% van de vmbo basis leerlingen, 95% van de vmbo kader leerlingen en 92% van de vmbo gt leerlingen slaagden in 2024-2025 voor hun examen.

Veruit het grootste deel van de vmbo-leerlingen (84%) behaalde het diploma binnen vier jaar na hun start in het vo, ongeacht de leerweg of onderwijsrichting waar ze in het eerste leerjaar zijn ingestroomd. Ongeveer 14% van de leerlingen die een vmbo-diploma behalen, doubleert gedurende de schoolloopbaan één keer. Bij vmbo gt-leerlingen komt dat vaker voor dan bij vmbo basis- of vmbo kader-leerlingen.

 

Negen op de tien leerlingen stromen na het examen direct door naar het mbo 

Van de leerlingen die in schooljaar 2023-2024 slaagden voor hun vmbo-examen, stond negen op de tien op 1 oktober van het volgende schooljaar geregistreerd bij een mbo-instelling om daar een vervolgopleiding te volgen.

Van de geslaagde vmbo-leerlingen ging in 2024 95% van de basisleerlingen, 98% van de kaderleerlingen en 85% van de gt-leerlingen naar het mbo. Daarnaast stroomde 13% van de geslaagde vmbo gt-leerlingen door naar de havo.

Succes op én na het mbo 

In 2023 slaagden zeven op de tien leerlingen die na het vmbo naar het mbo gingen voor hun mbo-examen. Studenten die vmbo gl als vooropleiding hadden, behaalden iets vaker hun mbo-diploma dan leerlingen met vmbo basis, kader of tl als vooropleiding.

Na het afstuderen van het mbo heeft 90% van de studenten direct een baan en 10% (nog) niet. Na een jaar is ruim 80% van de afgestudeerden aan het werk, 10% volgt (weer) een opleiding en 7% heeft geen werk en volgt geen opleiding.

 

 

Het aanbod van vmbo in Nederland

Waar leerlingen naar school gaan, welke onderwijsrichtingen er op hun vestiging worden aangeboden en uit welke profielen leerlingen kunnen kiezen, heeft invloed op hoe ze hun plek in de maatschappij vinden [1]. Hun keuze hangt niet alleen van vaardigheden en interesse af, maar ook welke voor scholen er in de buurt zijn. In dit hoofdstuk laten we zien hoe het aanbod eruit ziet.

Het vmbo zit vaak binnen een brede vestiging

Er zijn meer dan 1000 vestigingen waarop één of meer vmbo-leerwegen worden aangeboden. Ruim de helft (58%) van de schoolvestigingen met vmbo biedt alle vmbo-leerwegen aan: in elk geval van vmbo basis tot en met vmbo gt.

Ongeveer de helft hiervan (29% van alle vestigingen) biedt alleen de drie vmbo-leerwegen aan. De andere 28% zijn brede vestigingen met ook havo en/of vwo.  

Percentage brede schoolvestigingen per provincie

Een groter aandeel brede vestigingen in Noordoost-Nederland en Zeeland 

Brede vestigingen bieden vmbo basis tot en met vwo aan. In Overijssel (37%), Friesland (34%) en Zeeland (33%) zijn vestigingen vaker breed dan in met name Noord- en Zuid-Holland (11%) en Utrecht (6%). Landelijk is 16% van de vestigingen een brede vestiging. 

Tl leerlingen vaker met havo/vwo; gl vaker met basis/kader op één vestiging 

Hoewel vmbo gl en tl vergelijkbare leerwegen zijn wat betreft exameneisen, is er verschil in hoe vaak gl, gt of tl wordt aangeboden in combinatie met andere leerwegen of onderwijsrichtingen. Op vestigingen met een aanbod met vmbo basis en kader, wordt vaker vmbo gl aangeboden dan op brede vestigingen. Tl wordt juist vaker aangeboden in combinatie met havo en vwo en minder vaak met basis en kader. Vmbo gt wordt vaak op brede vestigingen aangeboden en op vmbo-brede vestigingen.

In de afgelopen jaren is deze verdeling niet veel veranderd. Het aantal categorale tl-vestigingen met alleen een bovenbouw is wel iets afgenomen; het lijkt erop dat een deel daarvan met havo/vwo vestigingen is samengevoegd. Het aantal vestigingen met alleen tl onder- én bovenbouw is niet veranderd. 

De meeste vestigingen bieden één profiel aan

Van alle vestigingen met bovenbouwleerlingen vmbo basis, kader en/of gl biedt 38% één profiel aan. Meestal is dat Dienstverlening en producten (20%) of Groen (11%). Bijna de helft van de vestigingen biedt twee, drie of vier profielen aan. Een veel voorkomende combinatie is Zorg en welzijn met Dienstverlening en producten en/of Economie en ondernemen. Ook Zorg en welzijn met Bouwen, wonen en interieur en/of Produceren, installeren en energie komen veel voor. Een minderheid (19%) van de vestigingen biedt vijf of meer profielen aan.

In de vijf grote steden bieden vmbo-vestigingen relatief vaak maximaal drie profielen aan (88% van de vestigingen). Buiten de G5 is dat 63%. In de grote steden zijn wel meer vestigingen op korte afstand, waardoor de keuze voor leerlingen niet per se minder groot is.

Dienstverlening en producten en Zorg en welzijn op de meeste vestigingen

Dienstverlening en producten en Zorg en welzijn worden beide op meer dan de helft van de vestigingen aangeboden, gevolgd door Produceren, installeren en energie, Economie en ondernemen en Bouwen, wonen en interieur. 

Het aantal leerlingen dat voor een bepaald profiel kiest, hangt mede af van welke profielen de school aanbiedt. Regionale verschillen zijn daarom een gevolg van zowel aanbod op scholen in de omgeving als keuze van de leerling. In de G5-gemeenten volgen relatief meer leerlingen de profielen Economie en Media, vormgeving en ICT. Buiten de G5 worden Bouwen, wonen en interieur, Groen en Produceren, installeren en energie vaker gevolgd. Bij de andere profielen is er weinig tot geen verschil.  

Aantal leerlingen per profiel per gemeente (van de school):

Zorg en welzijn
Dienstverlening en producten

Trends in het vmbo

In dit hoofdstuk worden de belangrijkste ontwikkelingen binnen het vmbo in kaart gebracht. We kijken naar het aantal leerlingen per leerweg, de profielkeuzes die zij maken en hoe hun schoolloopbaan zich ontwikkelt. Ook wordt de doorstroom naar het mbo getoond en de opleidingen die leerlingen daar kiezen.  

Meer leerlingen in brede brugklassen  

In schooljaar 2024-2025 startten er bijna 120.000 leerlingen in het eerste leerjaar in een (gemengde) vmbo klas. 35% werd geregistreerd in een categorale vmbo-klas (met één leerweg), 28% in een vmbo-brede klas (met twee of drie vmbo-leerwegen), 27% in een avo-brede klas (vmbo gt/havo al dan niet met vwo) en 9% in een brede brugklas (vmbo basis t/m havo of vwo). 

Het aandeel leerlingen dat in een vmbo-brede brugklas of een brugklas met meerdere onderwijsrichtingen (avo-breed of breed) start, is in de afgelopen jaren gestegen. Iets minder dan de helft (45%) van de leerlingen zit ook in het tweede leerjaar nog in een klas met meerdere onderwijsrichtingen of leerwegen. 

De verdeling van onderwijsrichtingen en leerwegen blijft stabiel 

De verdeling van het aantal leerlingen naar onderwijsrichting of leerweg is in de afgelopen jaren niet veel veranderd. De verdeling in de grafiek hiernaast is bepaald op basis van het aantal leerlingen in het derde leerjaar, omdat leerlingen dan meestal hebben gekozen in welke richting zij examen gaan doen*. Hoewel het aandeel leerlingen per leerweg tamelijk stabiel is, zien we dat het aantal leerlingen op vmbo basis dat een entree opleiding of leerwerktraject volgt de afgelopen vijf jaar met bijna 50% is gestegen. Nader onderzoek moet uitwijzen waar deze stijging door veroorzaakt wordt.

* Omdat het praktijkonderwijs geen leerjaren kent, is het in dit overzicht buiten beschouwing gelaten. Ongeveer 3% van de leerlingen gaat naar het praktijkonderwijs (alle verblijfsjaren).

Vanaf 2024 krijgen basisschoolleerlingen een schooladvies op basis van de centrale doorstroomtoets. Vmbo- en praktijkscholen merken sindsdien een verschuiving in het aantal leerlingen dat zich per onderwijsrichting inschrijft. Doordat de leerlingen die deze toets hebben gemaakt nog niet in het derde leerjaar zitten, is het nog niet te zien of er verschuivingen plaatsvinden door kansrijk adviseren, meervoudige adviezen en wijzigingen rond de doorstroomtoets in het po. Begin 2026 komt de VO-raad met een themarapportage over de impact van de doorstroomtoets in het vo. Daarin onderzoeken we of er in de eerste twee jaar na de invoering van de doorstroomtoets al veranderingen te zien zijn.

Leerlingen in derde leerjaar zitten iets vaker onder adviesniveau  

Het aandeel leerlingen dat in het derde leerjaar onder het advies zat, is de laatste jaren gestegen en ligt op het hoogste niveau sinds 2017-2018. Een mogelijke verklaring is dat er kansrijker werd geadviseerd, waardoor leerlingen op een richting instroomden die achteraf toch minder goed bleek te passen. Tegelijk is ook het aandeel leerlingen dat in het derde leerjaar boven advies zat, na een eerdere afname, in de afgelopen drie jaar weer gestegen. In de grafieken hieronder staat op de horizontale as het schooljaar waarin de leerlingen in het derde leerjaar zitten. 

Bij enkelvoudige adviezen zaten leerlingen vaker onder of boven advies dan bij dubbele, doordat bij een dubbel advies beide adviezen als “op niveau” worden geteld. Hierdoor is het aandeel leerlingen waarbij de positie in het derde leerjaar overeenkomt met het advies groter bij leerlingen met een meervoudig advies. 

In 2026 komt de VO-raad met een themarapportage waarin de eerste analyses worden gemaakt over de impact van kansrijk adviseren en de doorstroomtoets in het vo.

Zorg en welzijn blijft het grootst, Groen wordt steeds vaker gekozen

In de bovenbouw van het vmbo kiezen leerlingen voor het profiel waarin zij examen gaan doen. Bij vmbo basis, kader en gl zijn er tien profielen, bij tl vier. Welk profiel leerlingen (kunnen) kiezen, wordt vaak mede bepaald door het type vestigingen waar zij naartoe gaan (zie ook de paragrafen over aanbod). Een vmbo gl leerling op een vestiging waar ook vmbo basis en kader wordt aangeboden, heeft vaak meer keuze dan een leerling op een vestiging met tl, havo en vwo erbij. Vmbo tl leerlingen kunnen kiezen uit de profielen Economie, Landbouw, Techniek en Zorg en welzijn. Hieronder wordt de verdeling voor leerlingen in de bovenbouw van vmbo basis, kader en gl getoond. Bijna de helft (49% [2]) van de leerlingen op vmbo tl volgt meerdere profielen, wat niet uit de data die wij hebben kan worden afgeleid. Daarom laten we de tl-profielen hier niet zien.

voortgezet onderwijs leerlingen lopen naar binnen

In 2024-2025 zaten ruim 113.000 leerlingen in de bovenbouw van het vmbo basis, kader of gl. Ruim een kwart van de vmbo basis- en kaderleerlingen volgt het profiel Zorg en welzijn. Daarna is Dienstverlening en producten het meest gevolgde profiel op vmbo basis (20%) en kader (23%). Op de derde plek staat het profiel Groen (vmbo basis 17% en vmbo kader 13%). Leerlingen op vmbo gl volgden het vaakst Dienstverlening en producten (43%) en Groen (22%).

Het aantal én het aandeel leerlingen dat voor Groen kiest is ten opzichte van 2019-2020 gestegen op alledrie de leerwegen met 2 procentpunt bij basis en kader, en 5 procentpunt bij gl. Het aandeel leerlingen dat voor Economie en ondernemen kiest, is in die periode afgenomen met 3 procentpunt (vmbo basis) resp. 4 procentpunt (vmbo kader). Bij Gl leerlingen is het profiel Dienstverlening en producten met 13 procentpunt gedaald sinds 2019-2020.

BWI – Bouwen, wonen en interieur 

D&P – Dienstverlening en producten 

E&O – Economie en ondernemen 

G – Groen 

HBR – Horeca, bakkerij en recreatie 

MaT – Maritiem en Techniek 

M&T – Mobiliteit en transport 

MVI – Media, vormgeving en ICT 

PIE – Produceren, installeren en energie 

Z&W – Zorg en welzijn 

De doorstroom van leerjaar 3 naar 4 daalt, de uitstroom uit vmbo basis neemt toe 

Omdat in de onderbouw de uiteindelijke richting waarin een leerling examen gaat doen voor een groot deel van de leerlingen nog niet is bepaald, kijken we naar de overgang van het derde naar het vierde leerjaar om te onderzoeken hoe vaak leerlingen wisselen van onderwijsrichting of leerweg.

Vanuit vmbo basis leerjaar 3 stroomt het grootste deel van de leerlingen regulier door naar vmbo basis 4. Dit percentage is tussen 2020 en 2024 licht gedaald (van 84% naar 79%). De uitstroom vanuit vmbo basis 3 is in dezelfde periode gestegen van 7,2% naar 10,9%. Dit is inclusief de leerlingen die naar het voortgezet speciaal onderwijs of naar het volwassenenonderwijs gaan, nieuwkomers die teruggaan naar land van herkomst en leerlingen die het bekostigd vo verlaten. Ongeveer 2% van de leerlingen gaat vanuit vmbo basis 3 naar vmbo kader 4.

Ook bij vmbo kader is het percentage dat regulier doorstroomt licht gedaald. In 2024 ging 84% van de vmbo kader 3 leerlingen naar vmbo kader 4. In 2020 was dit nog 88%. Ongeveer een op de tien leerlingen in vmbo kader 3 stroomt af en/of doubleert. Een kleiner deel dan bij vmbo basis stroomt uit (ongeveer 4%). Dit komt deels doordat de overstap van vmbo basis naar pro als uitstroom wordt getoond, en van vmbo kader naar vmbo basis of van vmbo gt naar vmbo kader als afstroom.

Bij leerlingen in leerjaar 3 van vmbo gt is te zien dat jaarlijks ongeveer 85% van de leerlingen naar vmbo gt 4 doorgaat.  Ongeveer tien procent van de leerlingen in vmbo gt 3 stroomt af en/of doubleert. Een overstap naar vmbo kader 4 is vaak lastig, omdat de vakkenpakketten niet overeenkomen.

In de themarapportage Brede scholen concludeerde de VO-raad dat op brede scholen leerlingen eerder van onderwijsrichting of leerweg wisselen, dan dat ze doubleren. Op categorale scholen is dat net andersom: daar doubleren leerlingen vaker dan op brede scholen, omdat ze anders naar een andere school zouden moeten. Het type vestiging waar leerlingen op zitten, is dus mede van invloed op het aandeel dat afstroomt en/of doubleert. 

Meer leerlingen stappen over naar het praktijkonderwijs 

Na schooljaar 2023-2024 stapten bijna tweeduizend leerlingen vanuit het vmbo over naar het praktijkonderwijs. De directe instroom van het primair onderwijs naar het pro is de afgelopen jaren gedaald, mede door kansrijk adviseren. De zij-instroom vanuit andere vo onderwijsrichtingen naar het praktijkonderwijs is in 2023-2024 echter met 44% gestegen ten opzichte van 2022-2023. Dit komt doordat leerlingen na één of meer jaren in het vo toch naar het praktijkonderwijs wisselen. De meeste leerlingen die naar het praktijkonderwijs overstappen komen vanuit de onderbouw in een vmbo basis- of brede brugklas.

Nederlands en wiskunde/rekenen bij het centraal eindexamen

Alle leerlingen op het vmbo doen examen in het vak Nederlands. Het overgrote deel van de leerlingen (91% bij vmbo basis, 81% bij vmbo kader en 86% bij vmbo gt) haalt een voldoende voor Nederlands op het centraal examen.

Ruim driekwart (77%) van de vmbo-leerlingen deed in 2025 examen in het vak wiskunde. Dit percentage is in de afgelopen vijf jaar gedaald; in 2021 was het nog gemiddeld 82%. De leerlingen die geen wiskunde examen doen, maken verplicht een rekentoets.

Het percentage leerlingen dat een voldoende haalt voor wiskunde was in 2025 81% voor vmbo basis, 75% voor vmbo kader en 69% voor vmbo gt. In de jaren vlak na corona waren deze percentages bij alle leerwegen lager, maar vanaf schooljaar 2022-2023 zijn ze weer gestegen. Bij vmbo basis en gt ligt het percentage leerlingen dat een voldoende haalt iets lager dan vóór corona; vmbo kader leerlingen halen vaker dan voor corona een voldoende voor wiskunde.

 

Hoge slagingspercentages 

Het percentage leerlingen dat slaagt voor het vmbo-examen ligt voor alle leerwegen (ruim) boven de 90%. In 2024-2025 slaagde 98% van de vmbo basis leerlingen, 95% van de vmbo kader leerlingen en 92% van de vmbo gt leerlingen. Dit is weer vrijwel op het niveau van voor corona.  

Na het vmbo 

Negen op de tien leerlingen die in schooljaar 2023-2024 slaagden voor het vmbo-examen, stond op 1 oktober van het volgende schooljaar geregistreerd op een mbo-instelling om daar een vervolgopleiding te volgen. Vanuit vmbo basis ging in 2024 93% van de geslaagden door op mbo-2 niveau, iets meer dan in 2020. Ongeveer 2% ging naar mbo-3.

Leerlingen met vmbo kader diploma gaan meestal naar mbo-3 (33%) of mbo-4 (56%). Het deel dat naar mbo-4 gaat, is ten opzichte van 2020 (52%) gestegen. Leerlingen met een vmbo kader diploma konden altijd al toegelaten worden tot een mbo niveau 4-opleiding. Met de Wet toelatingsrecht mbo in 2017 hebben leerlingen met een vmbo kader diploma ook het recht om op een opleiding mbo-4 in te stromen. Van de leerlingen met een vmbo gt diploma gaat in 2024 10% naar mbo-3, 72% naar mbo-4 en 13% door naar de havo.

Verwant profiel in het mbo 

Ruim 80% van studenten in het mbo heeft als hoogste vooropleiding vmbo [*]. In onderstaande flowchart staan de leerling stromen van vmbo naar mbo, met links het vmbo-profiel en rechts de mbo-opleidingssector. De grafiek is gebaseerd op leerlingen die in schooljaar 2023-2024 een vmbo basis of vmbo kader diploma behaalden. 

Leerlingen met profiel Zorg en welzijn en met de technische profielen Produceren, Installeren en Energie en Bouwen, wonen en interieur kiezen het vaakst een verwante opleiding in het mbo. Het grootste deel (63%) van de leerlingen met profiel Zorg en welzijn volgt een jaar later een mbo-vervolgopleiding in de opleidingssector Zorg, welzijn en sport. 

Leerlingen met een vmbo-profiel Produceren, Installeren en Energie en Bouwen, wonen en interieur kiezen het meest voor een technische of bouw gerelateerde mbo-opleiding (57% resp. 55%).  

Bij andere profielen, bijvoorbeeld Dienstverlening en producten (D&P) of Economie en ondernemen stromen leerlingen door naar veel verschillende sectoren, omdat er geen één op één aansluiting van vmbo-profiel en mbo opleidingssector bestaat. Dit is in de grafiek te zien doordat de vmbo-profielen (links) uitwaaieren over verschillende mbo-sectoren (rechts). 

vmbo-profiel                                                                                                                               mbo-sector

Bron: DUO Open onderwijsdata. Peildatum 1 oktober 2024 (alleen routes weergegeven die door 100 of meer leerlingen werden gevolgd).

9 op de 10 afgestudeerde mbo’ers vinden direct een baan 

Na het vmbo gaan de meeste leerlingen door naar het mbo. Jaarlijks studeren daar circa 90.000 (2021) studenten af, de meeste in de richting Zorg en Welzijn.  

Negen op de tien afgestudeerde mbo’ers hebben direct na het behalen van hun diploma werk. Bij studenten die het mbo zonder diploma verlaten is dat zeven op de tien. Een jaar na uitstroom op het mbo volgt 14% van de mbo’ers zonder diploma weer een opleiding en is 60% aan het werk.  

De impact van maatschappelijke ontwikkelingen  

Maatschappelijke factoren als armoede, taalachterstanden en thuiszitters hebben impact op de leermogelijkheden van leerlingen in het onderwijs. Vmbo-vestigingen hebben te maken met extra uitdagingen ten opzichte van havo- en vwo-vestigingen: ze tellen meer achterstandsleerlingen, meer nieuwkomers, een hogere schooluitval en een groter lerarentekort.

Vmbo-vestigingen hebben relatief veel achterstandsleerlingen 

Brede vestigingen en vmbo-brede vestigingen hebben gemiddeld meer leerlingen waarvan de ouders een laag opleidingsniveau hebben, een niet-Nederlandse herkomst hebben en/of problematische schulden hebben. Deze leerlingen hebben door hun achtergrond een hogere kans om een onderwijsachterstand op te lopen en hebben meer begeleiding vanuit school nodig. Het CBS berekent per vestiging een achterstandsscore. Deze is afhankelijk van het aantal leerlingen met een lage onderwijsscore. Doordat grote vestigingen meer leerlingen hebben, krijgen ze sneller een hogere achterstandsscore. In de grafiek is daarom de gemiddelde relatieve achterstandsscore (achterstandsscore gedeeld door het aantal leerlingen) per onderwijsrichting berekend.

Op vestigingen met alleen vmbo is de relatieve achterstandsscore per leerling twee of meer keer zo groot als op andere typen vestigingen. Hieruit blijkt dat vestigingen met alleen vmbo vaker te maken hebben met een hoog aandeel leerlingen met een hogere kans op een onderwijsachterstand.  

Onderzoek van Centerdata toont aan dat het lerarentekort op scholen met een gemiddeld hoog risico op een onderwijsachterstand hoger is. Op scholen met een hoog risico is het lerarentekort 5,4%, terwijl de gemiddelde school een tekort van 3,3% heeft.

Relatief veel nieuwkomers gaan naar het vmbo

Kinderen van kennis- en arbeidsmigranten, vluchtelingen en andere asielzoekers landen relatief vaak in het vmbo. Het zijn leerlingen die nog niet zo lang in Nederland zijn en de Nederlandse taal nog niet voldoende beheersen om naar het regulier voortgezet onderwijs te gaan. Zij starten daarom in een Internationale schakelklas (ISK). De meeste leerlingen op een ISK staan ingeschreven in een vmbo-brede brugklas.  

Bijna twee derde (64%) van de leerlingen die meer dan twee jaar in Nederland zijn staat in schooljaar 2023-2024 ingeschreven op het vmbo. Doordat het zeker vijf jaar duurt voordat leerlingen de Nederlandse taal voldoende beheersen om de lessen volledig te kunnen volgen [3], is het vaak lastig om na twee jaar al de best passende onderwijsrichting te bepalen. Een brede school of brugklas kan hierbij een uitkomst bieden, omdat dan de keuze voor een onderwijsrichting later gemaakt wordt.  

[3] Zie Taalunie

Oud-ISK-leerlingen hebben in de eerste jaren dat ze in het regulier vo zitten vaak nog een taalachterstand, waarvoor ze extra ondersteuning nodig hebben. Dit komt voor een groot deel bij vmbo-scholen terecht, die daarvoor echter geen extra budget krijgen. 

Meer uitstroom zonder diploma 

Het aantal nieuwe voortijdig schoolverlaters (vsv’ers) in het vo stijgt. In de onderbouw is dit tussen schooljaar 2019-2020 en 2023-2024 toegenomen van bijna 1000 naar bijna 2400 leerlingen (0,2% naar 0,5% van het aantal leerlingen dat in dat schooljaar in de onderbouw zat). Het aantal vsv’ers in de bovenbouw van het vo stijgt ook. In de bovenbouw van het vmbo ligt het percentage vsv’ers op 1,2% in 2023-2024. Dit is hoger dan in de bovenbouw van havo/vwo (0,6%). Het aandeel vsv in de bovenbouw van havo/vwo is wel harder gestegen in de laatste vijf jaar. 

Ongeveer de helft van de vsv’ers op het vmbo in 2022-2023 zat in het tweede jaar nog thuis. Eén op de vijf was aan het werk, en een derde was weer terug naar school. Dit verschilt wel per vmbo-leerweg: vsv’ers in de bovenbouw van vmbo basis zitten gemiddeld langer thuis dan in de bovenbouw van vmbo kader of gt, die in het tweede jaar vaker weer onderwijs volgden. Bij deze laatste twee leerwegen ligt het beeld in lijn met vsv’ers op de havo of het vwo.

Van de vsv’ers in 2022-2023 was iets meer dan de helft in het tweede jaar weer naar school (29%), of aan het werk (23%). Bijna de helft was nog steeds vsv’er in het tweede jaar. 

Het vmbo wordt harder getroffen door het lerarentekort 

Leraren mogen in alle leerjaren van het vmbo (en op het pro, vso en in de onderbouw van de havo en het vwo) lesgeven met een tweedegraads bevoegdheid, voor hun vak. Ongeveer driekwart van de docenten heeft een tweedegraadsbevoegdheid, en een kwart eerstegraads. Leraren met een tweedegraads bevoegdheid zitten meestal in salarisschaal LB of LC.

Op het vmbo werken meer tweedegraads docenten dan op andere onderwijsrichtingen. Het lerarentekort als percentage van de werkgelegenheid was 2,0% voor eerstegraadsdocenten en 3,8% voor tweedegraadsdocenten in 2024. 

(On)bevoegd gegeven lessen

In schooljaar 2023-2024 werd 6,6% van de lesuren het vmbo mede daardoor ‘onbevoegd’ gegeven, meer dan op andere onderwijssoorten. Onbevoegd wil niet per definitie zeggen dat de lessen van minder goede kwaliteit zijn: hieronder vallen bijvoorbeeld ook lesuren gegeven door een bevoegd docent, die (nog) geen bevoegdheid heeft voor het specifieke vak of door een docent in opleiding. Het percentage onbevoegd gegeven lesuren loopt bij alle onderwijsrichtingen op. Het tekort aan leraren kan hiervan mede een oorzaak zijn. Wat meespeelt is dat het bevoegdheden- en opleidingsstelsel in toenemende mate niet goed op elkaar aansluiten. Dit komt voor een belangrijk deel doordat het curriculum zich in het voortgezet en voortgezet speciaal onderwijs voortdurend en niet consistent ontwikkelt, en het bevoegdhedenstelsel en de lerarenopleidingen niet in gelijke tred meebewegen. Het ontbreken van een goede aansluiting tussen lessen, bevoegdheden en opleidingen leidt tot meer formeel onbevoegd gegeven lessen, met name in het vmbo.

Daarnaast is het aandeel onbevoegd gegeven lessen groter bij tweedegraads lessen: het percentage onbevoegd gegeven lessen door tweedegraads docenten (5,4%) ligt hoger dan door eerstegraads docenten (1,5%) [4]. Op het vmbo geven meer tweedegraads bevoegde docenten les, en het percentage onbevoegd gegeven lesuren op het vmbo is dan ook hoger dan op havo en vwo (respectievelijk 6,6% voor vmbo, 2,8% voor havo en 2,1% voor vwo).  

4 IPTO 2024: Vakken en bevoegdheden in het voortgezet onderwijs