Bedrijfsvoering

Huisvesting

In een goed schoolgebouw sluiten gebouw en onderwijsvisie op elkaar aan: het gebouw is inclusief, heeft een gezond binnenklimaat, is energiezuinig en duurzaam, en is betaalbaar in de exploitatie. In de praktijk voldoet een groot deel van de gebouwen hier niet aan. Veel gebouwen zijn verouderd, hebben een slecht binnenmilieu, zijn ontoegankelijk, slecht geïsoleerd of hebben een ongunstig energielabel.

Dit is problematisch omdat een goed gebouw bijdraagt aan leerprestaties, aantrekkelijk werkgeverschap en het tegengaan van ziekteverzuim. Scholen zouden idealiter een vernieuwing of renovatiecyclus van circa 40 jaar moeten hebben, maar het huidige tempo ligt daar ver onder.

Vier op de tien scholen (41%) is meer dan 45 jaar oud. Veruit de grootste groep gebouwen stamt uit de periode 1946-1978 (33%). Ook een substantieel deel (30%) is gebouwd tussen 1993 en 2014. Slechts 1% van de gebouwen is gebouwd na 2023. Daarmee is het vernieuwingstempo laag en het tempo neemt zelfs af.

Weinig vernieuwing en beperkte verduurzaming

Van de vo-schoolgebouwen met een energielabel heeft 40% een label D of lager. Eén op de vijf gebouwen (19%) heeft zelfs energielabel G. Een groot deel van de gebouwen heeft nog helemaal geen label, omdat dit voor onderwijsgebouwen niet verplicht is.

Het hebben van een label zegt overigens niets over daadwerkelijk energiegebruik. Hoewel veel gebouwen nog voldoen aan de bouwtechnische minimumeisen, is het daadwerkelijke gebruik vaak inefficiënt. De energielasten zijn gemiddeld 15% van de exploitatiekosten. Dit beperkt investeringsruimte voor andere doelen. Veel scholen hebben aanvullende maatregelen genomen om het energiegebruik te beperken: zo gebruikt ruim zes op de tien duurzame verlichting en is in bijna de helft van de gebouwen extra isolatie of verwarmingsaanpassing aangebracht.

De renovatie en vernieuwing van schoolgebouwen vraagt daarom om structurele investeringen. Het IBO onderwijshuisvesting (2018) sprak over een jaarlijks tekort in de structurele bekostiging van 730 miljoen per jaar. Indexering met behulp van BDB Bouwkostendata leidt tot een bijstelling van dit bedrag naar 1,3 miljard per jaar. Er is dus 1,3 miljard per jaar extra nodig om alle schoolgebouwen in 25 jaar (onderwijs)adaptief, gezond en duurzaam te maken. Daarbij zijn de extra kosten voor beheer en exploitatie of extra ruimtebehoefte in het kader van inclusie nog buiten beschouwing gelaten.

Financiën

In het publiek bekostigde onderwijs is de overheid de belangrijkste financier van scholen. In 2024 hebben scholen gezamenlijk voor het eerst in een aantal jaren meer geld uitgegeven dan ze ontvingen. Het aflopen van tijdelijke financiering, bijvoorbeeld via het Nationaal Programma Onderwijs, is hiervan een belangrijke oorzaak. De reserves namen dan ook af. Om de jaarlijkse onzekerheid over de financiering te voorkomen, dringt de VO-raad aan op duidelijke, meerjarige financiële vooruitzichten. Dit kan door losse subsidies en tijdelijke middelen te vervangen door structurele bekostiging. Daarmee zijn schoolbesturen in staat hun financiën beter te plannen, wat ten goede komt aan beter onderwijs en goed werkgeverschap.

Financien - potloden en munten op tafel

Inkomsten en uitgaven 2024

De Rijksoverheid maakte in het kalenderjaar 2024 circa €12 miljard bekostiging over aan het voortgezet onderwijs in de vorm van basisbekostiging, subsidies en aanvullende bekostiging. In 2024 ontving een school in het vo gemiddeld €11.888,- per leerling. Daarnaast hadden VO-scholen ook andere inkomsten dan van de overheid: in 2024 bleef dit constant op iets meer dan 4%. Belangrijk onderdeel van deze overige baten zijn de inkomsten uit de ouderbijdragen.

Bijna 80% van de totale bestedingen gaven schoolbesturen in het voortgezet onderwijs in 2024 uit aan personeel. 6% van de middelen ging naar huisvesting. Het resterende bedrag werd besteed aan overige lasten en afschrijvingen voor onder meer meubels, computers en leermiddelen.

Reserves en financieel resultaat

De bekostiging die scholen in het voortgezet onderwijs jaarlijks ontvangen, moet worden ingezet voor het realiseren van goed onderwijs. Het is daarom belangrijk dat schoolbesturen hun middelen planmatig besteden en voldoende reserveren om continuïteit te waarborgen.

Tegelijkertijd is het onwenselijk dat reserves structureel te hoog oplopen. Het doel is dat zoveel mogelijk geld terechtkomt in het primaire proces. In 2024 gaven schoolbesturen in het vo gezamenlijk ruim €150 miljoen meer uit dan dat ze ontvingen, waardoor het vermogen afnam.

In één jaar tijd is het gerealiseerde resultaat in de sector met bijna €340 miljoen gedaald. Schoolbesturen verwachten de komende drie jaar nog eens circa €200 miljoen per jaar meer uit te geven dan dat er binnenkomt. Daarmee worden de reserves de komende jaren verder afgebouwd.

Na 2021 ontvingen scholen extra middelen, onder andere via het Nationaal Programma Onderwijs en de subsidie Basisvaardigheden. Dat geld kon niet altijd direct worden besteed, onder meer door personeelskrapte. Veel scholen kozen ervoor deze middelen planmatig over meerdere jaren te spreiden via bestemmingsreserves. Die tijdelijke reserves nemen inmiddels weer af, terwijl de programma’s die met deze middelen zijn gestart nog doorlopen.

Reserves nemen af

Het ministerie van OCW en de Inspectie van het Onderwijs hanteren sinds 2020 een signaleringswaarde voor het identificeren van een mogelijk bovenmatig eigen vermogen bij een schoolbestuur. De Inspectie benadrukt dat de signaleringswaarde ontwikkeld is als start van ‘het goede gesprek’ over reserves. Helaas wordt de signaleringswaarde, ondanks afspraken met OCW en anders dan het uitgangspunt van de Inspectie, in beleids- en politieke discussies over de reservepositie toch regelmatig gebruikt als een absolute bovengrens. Bovendien is er vanaf 2024 een technische wijziging in de manier waarop de reservering voor groot onderhoud in de jaarcijfers moet worden verwerkt. Als een schoolorganisatie kiest voor een ‘voorziening groot onderhoud’, is de verwachting dat de reserves in 2024 fors zullen dalen. Wordt gekozen voor activeren en afschrijven van het groot onderhoud, dan zal de hoogte van het eigen vermogen fors toenemen. Daardoor is de huidige systematiek van de signaleringswaarden, volgens de VO-raad, vanaf 2024 niet meer bruikbaar.

Omdat OCW de waarde nog wel gebruikt, geeft deze Sectorrapportage een indicatie van de ontwikkeling. Wanneer de signaleringswaarde die het ministerie hanteert toegepast wordt, heeft 52% van de schoolbesturen in het voortgezet onderwijs een mogelijk bovenmatig eigen vermogen. Dat is een daling van vijf procentpunt ten opzichte van een jaar eerder. Het totaal aan mogelijk bovenmatig vermogen bedraagt 3,4% van de jaarlijkse baten, ook dat is een duidelijke daling ten opzichte van vorig jaar (4,3%).

Uit de jaarrekeningen blijkt dat in 2021 ruim 70% van de VO-schoolbesturen een voorziening groot onderhoud op de balans had staan en dat dit in 2024 gedaald was tot 36% van de schoolbesturen. Dit wijst erop dat meer schoolbesturen gebruik zijn gaan maken van de methode “activeren en afschrijven”. Aangezien dit een verhogend effect heeft op het eigen vermogen, maar het totale eigen vermogen in 2024 met 2% is afgenomen, hebben schoolbesturen hun reserves dus flink afgebouwd.

Scholen hebben inzicht en een stabielere ontwikkeling van de bekostiging nodig

Scholen in het voortgezet onderwijs krijgen structureel geld van het Rijk: de reguliere basisbekostiging (lumpsum). Daarnaast gaan er extra geldstromen in de vorm van tijdelijke subsidies en geoormerkte bekostiging naar scholen om specifieke doelen of speerpunten van de overheid te realiseren. Dit heet doelfinanciering.

Uit de onderwijsbegroting blijkt dat de subsidies de afgelopen jaren flink zijn toegenomen. In 2024 is er een grote afwijking in de realisatie te zien ten opzichte van de Rijksbegroting 2025. De ontvangen subsidies zijn van tijdelijke aard en lijken na 2025 weer af te nemen.

Om een gedegen financieel beleid te kunnen voeren gericht op het realiseren van goed onderwijs, hebben schoolbesturen stabiliteit nodig in de financiering. De structurele bekostiging basisvaardigheden gaat volgens planning pas in 2027 in. Door (tijdelijke) doelfinanciering kunnen scholen niet duurzaam in onderwijskwaliteit investeren en zijn ze minder goed in staat om bekostiging aan te laten sluiten bij de specifieke lokale onderwijsvraagstukken.

Docenten zijn aan het overleggen

Personeel


Leerling zichtbaar vanaf de rug wachtend voor de school

Leerlingen en onderwijs

Schoolgebouw gevuld met leerlingen

Scholen en schoolbesturen